← Terug naar nieuws

DE UITBRAAK: lees hier het hele verhaal! donderdag 9 april 2020

 

De Uitbraak

Het is een druilerige morgen, de nevel hangt nog over het fietspad en de hoofden van de paarden in het veld bij de manage zweven op grijswitte wolkjes. Langzaamaan komt er leven in de brouwerij, vroege vogels op weg om op tijd op school te zijn, gehaaste fietsers omdat ze te laat zijn voor het hersteluur, gezellig kletsende groepjes vriendinnen en een zoevende elektrische fiets van een bessien die de groepjes leerlingen geamuseerd gadeslaat.

Langzaam stroomt het grijs betegelde schoolplein vol. De geur van stiekem opgestoken sigaretten zweeft om de berging van de gymlokalen, een paar brugklassers rennen elkaar achterna en spelen tikkertje op schoolplein. Vierdeklassers kijken hier geïrriteerd naar en lijken helemaal vergeten te zijn dat ze drieënhalfjaar geleden zelf zo’n ukkie waren en ook dit soort irritante spelletjes deden om de tijd te doden tot de conciërge de deuren zou openen.

Ondertussen, terwijl de leerlingen buiten nog even mogen koukleumen, staan de leraren hun eeuwig zwarte drabje naar binnen te slobberen bij het keukentje van de conciërge. Ze stinken daar altijd zo van uit hun mond als ze je weer eens iets te dichtbij komen om wat uit te leggen. Ze maken hun flauwe lerarengrapjes en lachen er zelf het hardst om, omdat ze wel weten dat er anders niemand om lacht.

Een gewoon begin van weer een schooldag… tenminste zo lijkt het. Niemand weet dat hun leven over twee uur nooit meer hetzelfde zal zijn.

Mopperend komt er een brugklasser aangestampt over het schoolplein, al van ver zien zijn vrienden dat het weer mis was thuis. “Wat was er nou weer, Klaas? Je moeder?” “Ja, nou had ik m’n sokken weer niet in de was gedaan en was het huis te klein, ik heb ze gewoon laten liggen, nu had ik helemaal geen zin om ze op te ruimen!”

Een vierdeklasser staat het allemaal ogenschijnlijk ongeïnteresseerd aan te horen. Hij denkt: ‘was het bij mij nog maar over sokken, mijn moeder dan… die controleert elke dag alle mogelijke ‘dieziken’ van hem op een spoortje wiet, sinds hij stiekem met moas een jointje gerookt heeft.’

De bel gaat voor de tweede keer en de massa leerlingen beweegt zich plichtmatig naar de deuren, de leerlingen die achter in het lokaal zitten, ook nu achter in de stroom. De plichtsgetrouwen met hun neuzen tegen de ruitjes van de deuren.

Meneer Hengelaar staat iedereen vanuit de garderobe vorsend op te nemen. ‘Hé, Piet, jij moet nog een opdracht inleveren!’ ‘Hang je jas een normaal op, Bernadien, zo doe je het thuis toch ook niet!’

In de gang staat meneer Dam, zoals eigenlijk elke ochtend, iedereen die binnenkomt streng aan te kijken. Sommige leerlingen maken defensief oogcontact, anderen slaan haastig hun ogen neer, omdat ze weten dat er nog wat uurtjes nablijven openstaan. Weer anderen lopen haastig door de gangen om op tijd bij hun lokaal te kunnen zijn. ‘Ik moet naar Keizersplein, die gast is zo streng, niet normaal! En z’n lokaal is ook nog gigantisch ver lopen!’, bromt Levi. Levi zit voor de tweede keer in klas 4, ‘doublure’ noemen ze dat. Nou, als hij dan zo’n speciaal geval is, dan zal hij ook laten zien hoe bijzonder hij is. Hij wordt namelijk gezien als één van de knapste jongens van de school, meisjes proberen altijd contact met hem te maken. En dat weet hij ook. Met zijn halflange, donkerbruine haren, die altijd mooi lijken te vallen, ook als hij door de regen gefietst heeft of gegymd heeft. Zijn mysterieuze groenbruine ogen hebben al menig meisjeshart op hol laten slaan. Eva reageert lachend op zijn opmerking: ‘Ik heb Van Dalen, die kan het niks schelen, dus ik doe lekker rustig aan. Straks, ff saucijzenbroodjes bestellen, Levi?”

En zo zoekt iedereen zijn weg naar het lokaal. Kortom: een doordeweekse morgen op het Berechja College.

Meneer Briefing, met zijn lange, grijze haren loopt gespannen naar het raam. Het eerste uur heeft hij nog geen les, maar als docent met een belangrijke taak is hij toch al vroeg op school aanwezig. In zijn vervoersmiddel met ruimte voor een compleet elftal, is hij vanmorgen van huis vertrokken. Hij heeft nu al zin in de lunchpauze, zijn vrouw zal zijn lievelingskostje maken: zuurkool met spek en worst. En niet te vergeten een heerlijk kuiltje jus! Buiten ziet hij tot zijn grote schrik van uit alle hoeken en gaten politieauto’s aan komen rijden, hij hoort ze inmiddels ook. Hé, en daar is ook een brandweerwagen. Een dof gebrom in de verte en dan opeens komt er een grote legertruc de hoek om rijden en springt een dozijn soldaten uit het voertuig en zetten op commando een groot zwart scherm in rap tempo rondom de school. Meneer Briefing loopt gespannen zijn lokaal uit naar de hoofdingang en probeert met de politieagenten contact te krijgen. Hij als hoofd-BHV’er moet toch weten wat hier aan de hand is, dit kan toch niet zomaar?! Wat is hier toch allemaal aan de hand…

 

De Uitbraak (2)

Meneer Briefing staat met zijn handen in zijn lange grijze haren, besluiteloos bij de hoofdingang. De zware deuren met de glazen ruitjes kunnen nog maar een heel klein stukje open gedaan worden. Meneer Briefing probeert zijn zwarte loopschoenen ertussen te wurmen. Er komt al hortend en stotend, als ware het een bomrobot, een metalen gevaarte dichterbij met een uiteinde dat lijkt op dat van een trompet. ‘Het lijkt wel een megafoon of een luidspreker of zo’, denkt meneer Briefing. Op datzelfde moment klinkt er een luide stem: ‘U krijgt straks een pak toegeworpen, trek dat aan, wij trekken u deze kant op!’ Meneer Briefing schrikt zich wezenloos en botst tegen mevrouw Splinter, die zojuist bij hem is komen staan, op. ‘Ze… hij… daar… ze willen dat ik in een pak ga…’, roept hij verbouwereerd uit, ‘dat kan ik toch niet doen? Ik moet … ik moet hier blijven, ik kan mijn taak als hoofd BHV’er niet … niet zomaar … uh … hier binnen moet ik zijn!’ En weg is hij, weer naar zijn lokaal.

Mevrouw Splinter heeft de opdracht van het bijzondere metalen gevaarte maar voor de helft meegekregen, maar opeens wordt de hoofdingang heel donker. Over het zwarte scherm wordt heel langzaam, met uiterste precisie door een oranje miniatuur hijskraantje een soort ruimtepak naar de deur gemanoeuvreerd. ‘Oh nee,’ prevelt ze in het luchtledige, ‘niet ik, toch?’ Voor ze het goed en wel beseft, wordt er geroepen door dat trompetachtige metalen ding: ‘Trek dit aan!’ Ze kijkt nog snel even om zich heen, maar er is niemand te zien, ze zal er aan moeten geloven. Langzaam trekt ze het gevaarte naar zich toe, door de smalle kier tussen het kozijn en de deur. Eenmaal in de hal steekt ze voorzichtig haar linkerbeen in het pak en probeert het op te hijsen, dan haar rechterbeen ook maar, ze heeft de grootste moeite om rechtop te blijven staan. Die pijpen zijn veel te lang voor haar kleine persoontje. Ze zucht, toch maar verder gaan. Voorzichtig steekt ze haar armen in de veel te lange mouwen. Van binnenuit probeert ze de rits dicht te doen, wat haar nauwelijks lukt. De grote glazen bol waarin haar hoofd waarschijnlijk hoort te zitten, zweeft ergens boven haar. Alleen enkele rode haren blijven statisch in de bol kleven. Plots wordt de rits met een ruk naar boven getrokken. Nu zit ze echt opgesloten, ze probeert te bewegen. Met elke stap die zet verdwijnen haar benen verder in de pijpen, ze slepen over de grond. Met haar armen zwaaiend in de veel te grote mouwen, probeert ze al tastend weer de deur te vinden. Opeens voelt ze dat ze vastgegrepen wordt, met een ruk wordt ze naar voren gesleurd, haar benen en armen ongemakkelijk bungelend langs haar lichaam, nou ja, langs het pak. ‘We doen de deur open en dan trekken we je naar buiten’, hoort ze ergens ver weg. Langzaam voelt ze zichzelf in beweging komen, ze heeft het al opgegeven om haar armen en benen op de juiste plaats te houden, ze slaat haar armen om haar knieën en probeert zich nog kleiner te maken dan ze al is. Plots ligt ze stil, ze kruipt naar de glazen bol toe en kijkt voorzichtig naar het gezicht dat boven haar verschijnt. ‘Eh, oh, mevrouw, volg de instructies die wij u nu geven nauwkeurig op en dan zullen u en uw school, zo snel mogelijk uit deze situatie verlost zijn.’ ‘Ik kan hem nauwelijks verstaan’, denkt ze angstig, ‘wat nu?’ Waarschijnlijk hadden ze dat in deze vreemde buitenwereld ook al bedacht, want ze houden een A4’tje met daarop ‘Niemand mag de school in of uit voor ten minste 3 weken. 1 of meerdere personen besmet. Succes!’ ‘Eh… WACHT… WACHT…’, roept ze. Maar niemand lijkt haar nog te horen.

Inmiddels heeft het hele BHV-team zich bij de hoofdingang verzameld. Meneer Briefing, nog steeds in opperste staat van paraatheid, steekt elke seconde even zijn hoofd buiten de deur ‘is mevrouw Splinter er al?’ De tweede bel gaat, en de laatste leerlingen glippen de lokalen in. ‘Wat is er allemaal aan de hand? Ik zag politie, hè! Jij ook?’

Bij het BHV-team heeft mevrouw Slager haar gele hesje aangetrokken en heeft  de megafoon in haar handen. Ze wil net gaan omroepen dat iedereen rustig naar het lokaal moet gaan en dat er straks meer duidelijkheid komt, maar zonder dat ze doorheeft wat er gebeurt, heeft meneer Van Historie de megafoon al uit haar handen gegrist. ‘Zoek dekking! Alle leerlingen gaan met hun mentor en mentorklas naar het lokaal waar ze het 1e uur les hebben! Ja, jij ook met je lelijke patta’s. Wat loop je nou te kijken? Maak voort!’

Meneer Dam, strak in pak, leunt met een bleek gezicht tegen de balie van de conciërge. ‘Dit voelt niet goed, dit voelt niet goed…’, blijft hij maar voor zich uit prevelen. Conciërge De Snor zegt met zijn diepe bromstem: ‘Ach, het komt best goed. Het zal vast wel een oefening zijn, alle BHV’ers zijn immers op tijd hier.’ Janna, de lange blondine uit de derde klas, hoort wat de conciërge zegt. ‘Het is maar een oefening’, gilt ze.  Janna, die altijd hippe kleding aan heeft en het hart van elke jongen sneller doet slaan, neemt geen blad voor de mond en schreeuwt nog een keer door de gang: ‘Jongens, stille maar, het is maar een oefening.’

Ondertussen wordt mevrouw Splinter tergend langzaam weer naar de ingang geschoven, en niet al te voorzichtig wordt het pak met daarin mevrouw Splinter weer naar binnen getakeld, waarna de deur hermetisch afgesloten wordt. Snel hijst ze zich weer uit het pak, voordat iemand haar ziet. Wat ze niet weet is dat in de lokalen boven, de leerlingen, en stiekem ook de docenten met hun neus tegen de ramen gedrukt stonden, alleen de vochtige afdrukken van hun adem is nog zichtbaar op de ruiten. Dan ziet ze meneer Van Historie staan met de megafoon in zijn handen, bits grist ze deze bij hem weg en zegt met overslaande stem de woorden die iedereen al vreesde: ‘Er zijn een of meerdere mensen op deze school besmet met een onbekend, maar gevaarlijk virus. Niemand mag de school meer in of uit. Later horen jullie meer.’

Als iedereen eenmaal zit en de rust weer wat weergekeerd is in school, horen we meneer Van Historie voor zijn klas oreren: ‘Jongens, de oorlog… die was pas erg, dat moeten jullie weten. Ik zal jullie vertellen van die vriendengroep hier op het dorp…’ Langzaam sterft het geluid weg en zien we bij mevrouw Snijvoort Do en haar vriendin Saar met de armen om elkaar heen zitten, elkaar wiegend als troost. Ze voelen wel dat er iets aan de hand is. Bij hen daalt het besef in dat dit niet voor eventjes is. Ze kijken geïrriteerd naar Thirza die met haar grote mond weer staat te vertellen wat zij die morgen wel niet meegemaakt heeft in haar ‘grote’ wereldje. ‘Saar’, fluistert Bo, ‘ik moet zó nodig plassen! Ik sluip ff weg, niemand die het nu merkt.’ Mevrouw Snijvoort ziet nog net dat Do de deur achter zich sluit. ‘Laat maar even, heeft ze even nodig’, denkt ze. Na een minuut of tien zien komt Do pas weer voorzichtig om het hoekje, al kruipend probeert ze ongezien op haar plek te komen. ‘Waar bleef je zo lang’ fluistert Saar gespannen, ‘ik werd al ongerust!’ ‘Sst.. kan ik nu niet zeggen’, fluister Do geheimzinnig, ‘dat zeg ik later, goed?’

Inmiddels zijn mevrouw Slager en De Snor de krochten van de school ingedoken en slepen stapels slaapmatjes naar de aula. Vandaaruit verdelen ze de slaapmatjes eerlijk over de lokalen, ze vragen zich steeds meer af of ze wel genoeg matjes hebben, de school is inmiddels flink gegroeid…

Bij meneer Keizersplein in het lokaal begint Jetske steeds sneller te ademen. Haar vriendinnen zien het gebeuren en zien met lede ogen aan hoe een nieuwe paniekaanval zich ontwikkelt. Met een hoge, schelle stem begint Jetske te ratelen: ‘Dit kan toch niet waar zijn? Ik heb geen make-up mee genomen, geen foundation, geen voedende crème, geen blush, geen wenkbrauwpotlood en geen mascara en oh… ook geen… en….’, dan loopt ze even vast, ‘en je moest eens weten hoe ik er morgenochtend dan uit zie, dat kunnen ze toch niet maken!’ Nog steeds zit haar adem zo hoog dat je verwacht dat ze straks flauw zal vallen, ze gaat maar door: ‘Zul je zien dat die knappe verslaggever van Hart van Nederland hier morgen staat. En… en… dan kom ik met zo’n hoofd op televisie, aah!’

Ondertussen ontstaat er ook stress in lokaal 27. Vlak voordat het hele circus begon had Bart nog net de lekkere saucijzenbroodjes van Bakker Bert van de bezorger aangenomen, via de nooddeur bij techniek. Met de nog warme, heerlijk geurende broodjes loopt Bart naar het lokaal, waar mevrouw Splinter zich inmiddels gefatsoeneerd heeft en klaar staat om haar mentorklas te ontvangen, zij het nog ietwat beverig. De geurende saucijzenbroodjes zijn echter de druppel, ze gaat volledig uit haar dak: ‘Weg met die broodjes! Niemand in dit lokaal eet vanaf nu nog maar een hap vlees! Ik ben er helemaal, helemaal klaar mee’. En met een klap sluit ze de deur achter zich.

Zo zoekt iedereen z’n weg in deze onwerkelijke situatie. Ondertussen is mevrouw Ding erg nieuwsgierig geworden. ‘Een onbekend, gevaarlijk virus?’ fluistert ze voor zich uit. Terugdenkend aan haar studie biomedische wetenschappen. ‘Dat zou ik toch aan moeten kunnen tonen’, mompelt ze hardop. In het lokaal naast haar ziet ze dat meneer De Vrede ook geen klas heeft. Ze loopt naar hem toe en loopt al denkend zijn lokaal binnen. Eenmaal binnen opent ze wat kastjes en kijkt ze in het kabinet en loopt weer terug naar de deur, aarzelt en gaat dan toch zitten. Al die tijd staat meneer De Vrede het een beetje verbaast aan te kijken. Zijn altijd kleurrijke blouse strijkt hij nog een keer glad. ‘Wat zou ze doen? Zou ze in de war zijn door deze hele situatie? Ze lijkt eerder iets van plan te zijn…’ Dan vraagt ze: ‘Meneer De Vrede, kunt u mijn helpen onderzoeken wat er aan de hand is? Dat virus, hè, dat zit me niet lekker, dat zou ik weleens wat beter willen bekijken.’ Meneer De Vrede is hier wel voor in als natuur- en scheikundige, hier zit een luchtje aan. Terwijl ze door de lege gangen lopen, zien ze opeens Levi in z’n hemd zitten. Hij heeft blosjes op zijn wangen en ziet er verhit uit, zijn koltruitje heeft hij al uitgetrokken. ‘Zou hij koorts hebben?’ vraagt mevrouw Ding aan meneer De Vrede. ‘We moeten hem temperaturen, dat is de strategie bij virussen!’ Meneer De Vrede snelt zo snel zijn voeten, met de door zijn vrouw gebreide kousen, hem kunnen dragen naar het Zorg en Welzijnlokaal en komt terug met een oude thermometer. ‘Mooi zo’, zegt mevrouw Ding. ‘Het is wel de ouderwetse manier van temperaturen, maar goed, die is ook het meest betrouwbaar’. Ze knielt bij Levi neer en zegt zachtjes: ‘Kom jij maar even mee, dan zorgen we voor je.’ Terwijl Levi moeizaam, maar toch een beetje zenuwachtig opstaat en met hen meeloopt, ziet de klas, die zich ongemerkt voor het raam verzamelt heeft, nog net hoe mevrouw Ding een witte plastic handschoen over haar hand trekt.

Levi wordt door de twee vakkundig op het bureau in het nask-lokaal gelegd, dat ze prompt tot onderzoeksruimte hebben gebombardeerd, en wordt in allerijl getemperatuurd. Tegelijkertijd wordt er een monster genomen van zijn wangslijmvlies. ‘Hmm, koorts’, zegt mevrouw Ding. Ze pakt de agenda van meneer De Vrede en schrijft op een nog lege bladzijde de naam en temperatuur van Levi op en mompelt, diep in gedachten verzonken: ‘Levi, je mag weer naar je lokaal.’

Nieuwsgierig naar wat ze gevonden hebben leggen meneer De Vrede en mevrouw Ding het monster met het wangslijmvlies onder de microscoop. Levi trekt ondertussen z’n broek snel weer omhoog en maakt z’n riem vast. Verward loopt hij terug naar zijn lokaal.

Geconcentreerd proberen mevrouw Ding en meneer De Vrede te zoeken naar het mogelijke virus dat zich misschien wel op dit minuscule microscooplaatje bevindt. Om de test te verbeteren besluit mevrouw Ding om wat contrastvloeistof toe te voegen. Op het moment dat het druppeltje vloeistof het microscoopglaasje raakt, is er een felle lichtflits en een korte, maar heftige explosie. Het lichaam van meneer De Vrede wordt weggeslingerd en vliegt door de ramen van het lokaal zo de gang op, waar het met een doffe klap terecht komt.

Tegelijkertijd valt Levi neer in het lokaal dat hij met grote moeite heeft weten te bereiken. Alle leerlingen snellen naar hem toe en buigen zich ongerust over hem heen. Saar zit op haar knieën naast hem. Net als elk meisje heeft ze Levi altijd een mooie jongen gevonden. Maar ze wist van zichzelf dat ze geen schijn van kans zou maken. Ze vindt zichzelf maar een gewoon meisje, ze heeft niet zo’n mooi figuur als de meeste meisjes uit haar klas. Ze heeft zichzelf erbij neergelegd dat ze nooit zo populair zal worden als de andere meiden. Terwijl haar hand op de schouder van Levi ligt, voelt ze plotseling een heftige schok. ‘Een nieuwe explosie?’ Ze slaat haar ogen op en ontdekt dat de schok veroorzaakt wordt door Darren. Een jongen die ze eigenlijk altijd wat heeft genegeerd, omdat hij, net als zij, zich altijd wat afzijdig hield in de les. Op het moment dat hun ogen elkaar vinden lijkt het alsof de wereld stilstaat. Saar voelt een siddering door haar hele lichaam en de hele wereld lijkt even uit niets anders te bestaan dan haar hand op de hand van Darren en zijn ogen in de van haar.

Dit mooie, kostbare moment wordt ruw verstoord door Levi die begint te stamelen. ‘Het is…, het is….het is….HATSJOE’, Levi niest hard en verspreid een miljoen kleine druppeltjes over alle leerlingen die om hem heen zitten. ‘Het is besmettelijk’, weet hij nog uit te brengen. Na deze woorden glijdt Levi weg in een diepe, droomloze slaap, zo lijkt het...

 

De Uitbraak (3)

Mevrouw Slager loopt als lid van het BHV-team met haar felgele hesje speurend door de gangen, ondertussen steeds even een juiste pose kiezen voor een selfie. Je moet toch contact houden met de buitenwereld en zo kan ze zich mooi profileren! Zojuist hoorde ze een doffe plof in de gang bij scheikunde, ze kan nu net zo goed even gaan kijken wat daar aan de hand is. Al verwacht ze er niet al te veel van, in die gang gebeuren regelmatig vreemde dingen, ze kijkt eigenlijk nergens meer van op. Ze loopt al kijkend naar de reacties op haar instagrampost door de klapdeuren, met haar voet raakt ze iets groots en zacht, iets warms, iets…. Ze slaakt een harde gil: ‘AAAAAH!’ En springt direct in een vechthouding, wie of wat zal ze aan moeten vallen? Als ze merkt dat er totaal geen beweging in de gang te bespeuren is, kijkt ze langzaam naar haar gele hesje, naar haar in spijkerbroek gehulde knieën, naar de punten van haar gympen en dan naar… een zwartgeblakerde meneer De Vrede. Ze slaat haar hand voor haar mond. Voor haar ligt een bijna onherkenbare meneer De Vrede, zijn gezicht is zwart, op zijn hoofd staan nog een paar haartjes, verkoold… Zijn altijd fleurige blouse hangt in flarden om zijn lichaam. Vlug knielt ze bij hem neer en maakt nog gauw een selfie met hem, voor ze in zijn hals op zoek gaat naar een hartslag.

Mevrouw Ding kijkt even verdwaasd om zich heen:  ‘Waar was ze ook alweer mee bezig?’ Ze ziet voor zich een verkoolde microscoop staan en even verderop liggen wat wattenstaafjes en dan weet ze het weer… de tests voor het virus. Haastig loopt ze naar het kabinet en grist een andere microscoop uit de kast. Ze legt wat nieuw weefsel op het glaasje en gaat er eens goed voor zitten… zich niet bewust van de ravage in het lokaal, de gebroken ruiten of meneer De Vrede op de gang. Ze kijkt nog eens goed, als dit waar is… als dit virus binnen school is, en dat is het realiseert ze zich met een schok, dan kan het nog weleens heel verkeerd aflopen. Wat moet ze doen? Als versteend blijft ze naar het petrischaaltje staren.

Bij mevrouw Snijvoort in het lokaal staat Do alweer onrustig van haar ene been op haar andere been te wippen, ze moet nu alweer naar het toilet, die zenuwen van haar ook… slaan altijd op haar blaas. Net nu Levi daar op de grond ligt. Thuis heeft ze nergens last van, maar zodra ze een voet buiten de deur zet, moet ze overal waar ze komt op zoek naar een toilet. Ze kijkt Saar met een ongelukkig gezicht aan, ‘ik moet alweer’, mimet ze naar haar. Mevrouw Snijvoort heeft het gelukkig in de gaten en geeft haar een kort knikje bij wijze van instemming vanuit haar gehurkte positie. Gelukkig begint ze tegen haar nooit over ’59 seconden hebben jongens gemiddeld nodig voor een toiletbezoekje, dames iets langer… meer dan anderhalve minuut ben je dus niet weg!’, wat die vrouw allemaal niet onthoudt van wat ze leest. En die tandenborstel dan, dat wordt straks nog wat… Zo onzichtbaar mogelijk sluipt ze weer naar de deur.

Eenmaal op de gang durft ze weer adem te halen. Als ze naar de wc loopt ziet ze laag bij de grond iets geels en ook iets zwarts… als ze wat beter kijkt ziet ze dat er iemand op de grond ligt en dat dat gele mevrouw Slager is die zich over het lichaam heen buigt. ‘Oh nee, ze maakt ook nog een selfie! Het zal toch niet zo zijn dat… nee… dat kan niet… mevrouw Slager zou nog geen vlieg kwaad doen… nu voelt ze ook nog in zijn nek…’ Mevrouw Slager kijkt schichtig om zich heen, snel duikt Do weg achter de grote kast. Ze weet het nu bijna zeker: mevrouw Slager is lang niet zo onschuldig als ze lijkt… Wat ze niet ziet, doordat ze zichzelf stijf tegen de kast aandrukt, is dat mevrouw Slager begint met reanimatie en vlug de andere BHV’ers probeert op te piepen.

Levi is nog steeds buiten westen, mevrouw Snijvoort heeft hem inmiddels in de stabiele zijligging gelegd met behulp van Saar en Darren. ‘Anderhalf meter, anderhalf meter’, begint ze te rappen. De leerlingen gapen haar verbaasd aan, wie doet zoiets nou in zo’n situatie? ‘Anderhalf meter, anderhalf meter’, al rappend pakt ze een bordstift en schuift Levi voorzichtig onder het bord. Ze pakt een liniaal en begint lijntjes op de grond te tekenen, ondertussen leerlingen wegduwend tot buiten de lijn. Als ze klaar is, kijkt ze triomfantelijk de klas in. ‘Zo jongens en meisjes, anderhalve meter afstand, dat is wat we moeten bewaren’, dus vanaf nu mag niemand meer over deze lijn komen. Saar en Darren kijken elkaar ietwat verward aan, ‘en Levi dan?’ lijken ze allebei te denken.

Mevrouw Volzin zit met gekruiste armen op haar bureau haar leerlingen te overzien. Inmiddels heeft ze haar klasje uitgelegd wat er aan de hand is en dat ze vooral niet in paniek moeten raken, dat doet zij ook niet. Samen hebben ze al voor hetere vuren gestaan, dus hier komen ze samen ook wel uit. Vandaag hadden ze allemaal een kledingstuk met een slogan aangetrokken en ze konden mooi nog even een klassenfoto maken. Mevrouw Volzin zette haar camera op de zelfontspanner en ging vlug languit op de grond liggen. Haar T-shirt met het opschrift #doesgek kwam zo goed in beeld. Na de foto knipten en plakten haar leerlingen weer gedwee verder voor de nieuwste sterretje-van-de-dagposter. Nu kon ze wel eens even kijken wat er allemaal aan de hand was op de gang, haar klasje kan zó goed zelfstandig werken, ze kan nu wel even weg. Op de gang ziet ze dat mevrouw Slager gehurkt bij een zwartgeblakerd lichaam zit.

Mevrouw Slager is zich niet bewust van de beweging achter haar. Ze weet nog dat ze geleerd heeft dat een slachtoffer in deze toestand veel, heel veel zuurstof nodig heeft, ze maakt haar lippen vochtig en voelt de verkoolde haartjes op zijn bovenlip al, ze neemt een grote hap lucht en probeert meneer De Vrede weer krachtig leven in te blazen, nogmaals een grote hap lucht en weer plant ze haar mond op die van hem en weer blaast ze zo hard ze kan… opeens ziet ze zijn borstkas voorzichtig bewegen. Gespannen blijft ze naar zijn borst staren… op en neer… 21,22,23… Hij ademt weer! Inmiddels is mevrouw Volzin dichterbij gekomen en neemt de situatie in ogenschouw. ‘Hij moet hier weg! Leerlingen mogen hem zo hier niet zien! Hun tere kinderhartjes kunnen dit niet aan! We moeten iets doen!’ Zonder te overleggen begint ze aan zijn benen te trekken en hem achter zich aan te slepen de gang in. Mevrouw Slager probeert zijn hoofd zo goed en zo kwaad het gaat te beschermen tegen de ruwe bewegingen die mevrouw Volzin maakt. Zweet parelt op haar voorhoofd, ‘maar dit is het beste voor de leerlingen’, denkt ze. Ze geeft nog een krachtige ruk aan het niet meewerkende lichaam. Zijn hoofd bonkt tegen de radiator, snel trekt ze hem opzij, nu blijft zijn arm haken achter de deur van de wc. Mevrouw Slager probeert het hoofd van meneer De Vrede stabiel te houden, maar wordt steeds weer verrast door de kracht die mevrouw Volzin ten toon spreidt. Wanhopig probeert ze contact te maken met mevrouw Volzin, maar die lijkt van geen ophouden te weten. Geen idee waar ze met het lichaam heen wil.

Do drukt zich nog steeds stijf tegen de kast aan. Mevrouw Volzin lijkt nu ook in het complot te zitten, een traan biggelt over haar wang, ze mist haar moeder zo ontzettend! Wat zou ze nu aan het doen zijn? Het is bijna tijd om te eten, wat zou ze ongerust zijn… ze ziet dat er grote consternatie is ontstaan bij het BHV-team bij de ingang, ze stuiven allemaal een kant op. Ze ziet haar kans schoon en sprint de trap af, de hoek om, langs de kantoortjes, door de klapdeuren en zo bij gym naar buiten. Hijgend met de handen op haar knieën kijkt ze om zich heen… niemand schijnt haar opgemerkt te hebben. Snel loopt ze, zo rustig als maar kan, naar hun huis even verderop. Handig dat ze zo dicht bij school woont, toch nog voordelen. Wat ze niet weet is dat haar moeder het nieuws allang heeft gehoord en net het palenscherm overspringt, de noodtrap naar het kooklokaal beklimt en daar naar binnen sluipt.

Inmiddels is het bijna 17 uur, de leerlingen worden onrustig, normaalgesproken wordt de WiFi bijna uitgeschakeld, dan blijven ze niet meer op het plein klitten, hoe zal dat nu gaan? Ze horen conciërge De Snor al met zijn karretje, waarop hij zoveel mogelijk kopjes Kop-a-Soep heeft gestapeld, langskomen, bijna etenstijd dus… plotseling geknetter… de TL-buizen aan het plafond, knipperen en knisperen nog wat, het digibord laat nog wat lichtflitsen zien en dan is het stil en donker in de school… Geen elektriciteit meer, dus ook geen WiFi…

 

De Uitbraak (4)

‘Ah… handig’, denkt de moeder van Do, ‘geen elektriciteit, dat komt mijn plan ten goede!’ Op haar rug, aan het ceintuur van haar jas, zit een donkergrijze staalkabel bevestigd. Ze knoopt de staalkabel los en speurt om zich heen naar een geschikte bevestigingsplek. Aan de afzuigkap? Nee, te makkelijk eraf te trekken. Aan de handgrepen van de keuken? Nee, te zwak. Rondom het kookeiland dan? Ja, dat is het! Ze loopt snel een paar rondjes met de staalkabel om het kookeiland en bevestigt het uiteinde aan de grote oven. Gelukt! Dan kunnen er nu boodschappen van buitenaf via de mandjes die al gereed staan, doorgeven worden. Samen met een aantal andere ouders, waarvan er één naast de vuurtoren woont, hebben ze een plan opgevat om contact te kunnen houden met hun kinderen: op het hoogste punt van het dorp een kabel bevestigen en die met de lagergelegen school verbinden. Nu nog een manier vinden om haar dochter Do over het plan te vertellen. ‘Wat zal ze in de zenuwen zitten nu ze zo lang zonder mij moet zijn, we zijn zo close…’, denkt Do’s moeder. Al denkend aan haar dochter sluipt ze door de gang, langs het muzieklokaal, dat nog nooit zo stil is geweest, over de brug, langs het kantoortje van meneer Bonen.

In het lokaal van mevrouw Splinter is het onrustig. De leerlingen komen nog net niet in opstand, geen saucijzenbroodjes van bakker Bert, dat is onmogelijk, dat overleven ze toch nooit. Hebben zij weer, opgesloten met de grootste vegetariër van de school! Wat moeten ze nu eten? Hun chips, chocolade en snoep hebben ze al in moeten leveren bij mevrouw Splinter, die het zorgvuldig in haar bureaula – met slot!- heeft gestopt.

Verderop in het lokaal van meneer Snoek ligt iedereen onder de tafels. Meneer Snoek steekt met zijn lange benen, gehuld in moderne – wel uit de uitverkoop – sportschoenen, ver onder zijn bureau uit. Hij fluistert tegen zijn leerlingen: ‘Dit is onze kans! Zo bezorgen ze ons de rust die we zo hard nodig hebben. We hoeven niet meer te doen alsof we werken, we mogen luieren!’ En hij begint heel relaxed op zijn gitaar, die hij snel van de muur gehaald heeft, te tokkelen: ‘Slaap leerlingetjes, slaap. Daarbuiten loopt een soldaatje. Een soldaatje met een groen geweertje. Die glimt als de neus van zijn schoentjes. Slaap leerlingetjes…’

Nog steeds geen Do te zien… Ze sluipt verder… Ze ziet Saar met haar hoofd in haar handen aan een tafeltje zitten. Een puisterige jongeman wrijft onhandig met zijn hand over haar rug. Voorin, onder het bord ligt een jongen op de grond. De docente staat op het lijntje en lijkt met wat leerlingen in discussie. Wat ze niet ziet is dat de jongen schokkerige bewegingen begint te maken.

Maar geen Do… ze sluipt weer verder. Langs het kantoor van de directeur en dat van de administratie. Plots stapt ze op iets scherps, voorzichtig voelt ze voor zich op de grond wat dat kan zijn, ze kijkt naar haar vingers, voelt iets warms en realiseert zich dat het glas is, wat ze voelt. Ze kijkt op en ziet dat er geen ramen meer in het lokaal zitten, wat ze niet ziet is dat er net iets geels de trap af schuift richting de gymzaal. Behoedzaam haar voeten optillend, sluipt ze door de gang, een lichtje van loepbril vlamt op in het kabinet van scheikunde. De moeder van Do schenkt er geen aandacht aan. Haastig strompelt ze verder naar waar het lawaai vandaan komt. ‘Hé, daar is meneer Van Keizersplein, die heeft ze laatst nog op een ouderavond gesproken. Die wist alles zo goed te vertellen, die zal nu ook wel het nodige van deze zaak afweten.’ Zo snel de onbegaanbare gang het toelaat, beweegt ze zich naar het lokaal.

Eenmaal aangekomen merkt ze dat er een merkwaardige sfeer hangt. Jetske heeft nog steeds het hoogste woord en meneer Van Keizersplein probeert haar tot bedaren te brengen met behulp van wat andere leerlingen. ‘Jetske, stel je nou eens niet zo ontzettend aan, er zijn belangrijkere zaken in de wereld. Je gedraagt je als een ballerina die net de top niet heeft weten te bereiken en zich deze sterallures niet kan permitteren. Wie ben je nou zelf als je je gezicht verstopt onder een laag plamuur, achter een masker van cosmetica, van wereldse schoonheid?’ Niets lijkt te helpen… Tot ze ontdekt dat haar telefoon het nog doet. ‘Oh, alstublieft, allerliefste meneer Van Keizersplein, mag ik heel even mijn telefoon gebruiken?’ smeekt ze met haar meest zalvende stemmetje. Meneer Van Keizersplein weet niet goed wat te zeggen. Hoe is het mogelijk dat iemand in een paar seconden van een paniekaanval naar zo berekenend lief kan transformeren? ‘Ach, veel kwaad kan het niet’, denkt hij, ‘als ze daar wat rustiger van wordt, dan kan ik wat aandacht geven aan de andere leerlingen.’

Jetske wacht  zijn antwoord niet en zit al met haar benen over elkaar en haar telefoon in haar handen op de tafel bij de telefoonbak. ‘Hoe… maak… je… zelf…make..’ ‘Hé, Keizersplein, hoe schrijf je make-up? Met of zonder een streepje?’ ‘Uh, met een koppelteken, Jetske.’ Hoe-maak-je-zelf-make-up?, verschijnt  in de zoekbalk van haar internetbrowser. Een waslijst aan ideeën rolt  uit over haar scherm. Veel van de ideeën staan haar bij voorbaat al niet aan en opent  ze niet eens, van die geitenwollensokkentypes die om duurzaamheid geven en back-to-the-basic willen, daar kan ze helemaal niets mee! Ah, daar heb je ook een tutorial van een bekende beautyvlogger, daar kan ze wel wat mee. Snel doet  ze haar oortjes in en sloot zich af van de rest van de klas.

‘Meneer Van Keizersplein’, hoort hij achter zich, ‘meneer Van Keizersplein.’ Hij kijkt verbaasd achter zich. ‘Huh, een ouder? Hoe komt die hier nu binnen?’ Snel schakelend, zijn sterke kant, al zegt hij het zelf, zegt hij: ‘Oh mevrouw, uh… wat is uw naam ook al weer… ik kon niet goed verstaan wat u zei… wat kan ik voor u doen?’ ‘Mijn dochter, Do, weet u waar ze is?’ ‘Nee, niet direct mevrouw, wie is haar mentor? Mevrouw Snijvoort zegt u? Bij Saar in de klas?’ Ongeduldig staat de moeder van Do naar hem te kijken. Meneer Van Keizersplein probeert nog snel even orde te scheppen in de wanorde aan papieren op zijn bureau, die moeder zal wel denken… ‘Ze moet bij haar mentor in het lokaal zijn, mevrouw Snijvoort, dus. En u zei dat ze daar niet was? Vreemd, heel vreemd. Maar neemt u plaats, ik zal kijken wat ik voor u kan …’ De moeder van Do heeft genoeg gehoord en vliegt de deur alweer uit, links de hoek om, over de grijsgrauwe betonnen trap naar beneden, richting de gymlokalen.

In het donker stoot ze tegen een groot log gevaarte dat vlak achter de klapdeuren staat, de pijn in haar bovenbeen negerend, strompelt ze verder de grote ruimte in. Verderop hoort ze een zacht gehijg. Gespannen blijft ze staan luisteren, het is een zwaar geluid, niet iets wat geproduceerd wordt door een meisje van 15. ‘Niet Do’, denkt ze, ‘snel weer weg hier.’ Wat ze niet in de gaten heeft is dat op dat moment meneer De Vrede zacht ligt te kreunen op de grote dikke mat, die mevrouw Volzin met haar laatste krachten van de mattenkar gesjouwd heeft. Mevrouw Slager zit in haar gele hesje verslagen naast hem, niet wetend wat te doen. ‘Zuurstof, veel zuurstof’, denkt ze weer, ‘hij mag niet te kort komen…’ Ze maakt haar lippen, zonder dat ze het zelf doorheeft, weer nat, neemt een hap lucht en…  Mevrouw Volzin staat intussen in dubio, zal ze naar haar klasje gaan, dat kan natuurlijk niet zo lang zonder haar, maar ze kan meneer De Vrede en mevrouw Slager hier ook niet alleen achterlaten, haar klasje redt het nog wel even. Mevrouw Slager bedenkt zich ondertussen dat ze het wel weer getroffen heeft, zij zit nu met deze situatie opgescheept, terwijl de anderen… wat een glorieuze taak… maar niet heus… BHV’er zijn had ze zich wel anders voorgesteld. De reddende engel zijn, in de kranten komen, complimentjes van ouders krijgen, leerlingen die haar de liefste en leukste zouden vinden… maar helaas, niets van dat alles. Hier zat ze dan met een kreunende meneer De Vrede naast zich op een mat in een koude, donkere gymzaal. ‘Misschien dat mevrouw Drukstra in haar hokje nog wat plaidjes heeft liggen, voor als ze even een powernapje wil doen’, bedenkt ze zich plots hoopvol. Mevrouw Volzin bij meneer De Vrede achterlatend loopt ze gelaten op de tast, met haar handen voor zich uit als een slaapwandelaar, zodat ze niet ergens over struikelt, door de lege gymzaal. Het enige geluid wat ze hoort is het piepen van haar eigen gympen op de vloer.

Do’s moeder is intussen bij het lokaal van Zorg en Welzijn aangekomen, mevrouw Van Dalen probeert met haar leerlingen het zo geriefelijk mogelijk te maken. Met de spullen die het lokaal herbergt, hebben ze zo goed en zo kwaad als het gaat een gezellige zithoek proberen te maken. Een donkerbruine, houten stoel van de kringloop, een afdankertje van een bessien, een stoel vanuit het oude huis van mevrouw Zeerland. Door de grote raampartijen piept nog een klein beetje licht van de straatlantaarns boven de zwarte schermen uit, eigenlijk hebben ze het daardoor nog best goed. Al beginnen enkele leerlingen al wel te mopperen: ‘Ik heb geen oplader bij me, straks heb ik helemaal niets meer te doen.’ ‘Ik heb nog maar 3% en ik mijn baas zal zo wel willen weten waar ik blijf.’ ‘Mijn kalletjen gaat helemaal over de rooie als ik straks niet voor de deur sta, hij is als zo opvliegend.’ ‘Al het eten dat we hebben zijn snacks en ik wil graag kost van m’n moe…’ En zo begint iedereen de nadelen die er aan zo’n opsluiting zitten steeds duidelijker te zien…

 

De Uitbraak (5)

Mevrouw Snijvoort hoort achter zich plotseling doffe geluidjes, het lijkt op een door de wind losgewaaid zeil of iets dergelijks. Verbaasd kijkt ze met haar hoofd over haar schouder en ziet dat Levi’s lichaam schokt en trilt, zijn knappe gezicht wordt steeds groener. Ze slaat haar hand voor haar mond en beseft dat dit de verkeerde kant op gaat. Ze moet hulp inschakelen, maar hoe? Ze vraagt aan haar leerlingen of ze haar kunnen helpen. ‘We kunnen de BHV’ers er wel buiten laten, die kunnen alleen in de school iets beginnen en we hebben zo te zien niet lang meer, we moeten nu iets doen!’ ‘Mevrouw, hoe deden de indianen dat vroeger ook alweer’, roept iemand door het lokaal. ‘Nee,’ zegt mevrouw Snijvoort bits, ‘we kunnen toch geen vuurtje in het lokaal aanleggen, hoe haal je het in je hoofd! Conciërge De Snor zal wel denken…’ ‘Maar mevrouw,’ probeert Jacobine voorzichtig, ‘ik kan roken als de beste. Ik kan ook kringeltjes maken.’ Mevrouw Snijvoort staat haar schaapachtig aan te kijken. ‘Jij… jij… zei dat je geheelonthouder was…’ Snel slaat Jacobine haar ogen neer, dat leugentje om bestwil zet nu misschien het leven van Levi wel op spel. ‘Maar goed, daar hebben we het later nog wel over, weet je ook hoe S.O.S. in rooksignalen eruit ziet?’ ‘Jongens, kom op, meedoen, wie weet hoe je S.O.S. signalen uitzendt?’ Al snel heeft iemand het gegoogeld en zegt luid: ‘KORT… LANG … KORT, met spaties ertussen!’ ‘Spaties?’ ‘Ja, rust bedoel ik.’ ‘Jacobine, gaat je dat lukken? Ga zo dicht mogelijk bij het open raam staan, klim maar op de vensterbank en steek je sigaret aan!’ ‘Ja goed, zo… kort… lang… en nu weer kort.’ Mevrouw Snijvoort klimt zelf ook op de vensterbank en tot haar grote opluchting ziet ze dat er beneden haar beweging komt, politiemensen en mensen in groene camouflagekleding beginnen naar boven te wijzen. Iemand pakt een megafoon en mevrouw Snijvoort probeert haar hoofd tussen de smalle opening van het raam te wurmen. ‘Over een half uur land er een traumaheli op het sportveld. Zorg dat het noodgeval daarnaar toe verplaatst wordt! Einde.’ Mevrouw Snijvoort kijkt haar leerlingen verbijsterd aan. Saar en Darren hebben elkaars hand beet gepakt. Voor ze het weten heeft mevrouw Snijvoort met al haar kracht de deur van de kast uit zijn scharnieren getrokken. ‘Vlug, help Levi hierop’, ze legt de deur naast Levi en probeert zijn lichaam erop te sjorren. ‘Pak even het plakband, wil je? Ja, jullie met z’n vieren, jullie zijn altijd in de sportschool te vinden, til hem op!’ Snel pakt ze het plakband uit haar la en begint het onder Levi door te halen en weer over hem heen, als een dolleman tapet ze hem volledig in. ‘Voorwaarts, mars!’ schreeuwt ze naar de 4 leerlingen die de deur met daarop Levi in hun handen hebben, ‘waar wachten jullie nog op? Naar het sportveld en snel een beetje!’ De leerlingen kijken elkaar verbijsterd aan, maar toch doen ze wat hen opgedragen wordt en gedwee beginnen ze te lopen. De deur door, de trap af, naar links, langs de aula, door de garderobe, over het plein, naar het sportveld.

Als ze bij het sportveld aankomen ligt er midden op het verlaten grasveld, een brancard klaar. De jongens kijken gespannen om zich heen, wat is dit, wat moeten ze doen? Op de brancard is een boodschap vastgemaakt: bevestig de touwen die de heli straks laat zakken zorgvuldig aan de vier hoeken van de brancard.

In de verte horen ze de helikopter gelukkig al aankomen, Levi is er van de tocht naar beneden namelijk niet beter uit gaan zien. Zijn gezicht is nu bijna net zo groen als zijn koltruitje en zijn schokkerige bewegingen worden door het plakband misschien wat tegengehouden, maar zijn nog niet gestopt. Snel trekken ze het plakband van Levi af,  de hevig schokkende Levi laat zich moeilijk naar de brancard verplaatsen. Als dat straks maar goed gaat… Gespannen wachten de jongens tot de heli recht boven hen hangt, ze kijken naar boven en zien de vier touwen langzaam op zich afkomen. Wie komt daar aan gesprint? Het lijkt meneer Keizersplein wel… De jongens proberen de touwen zo snel mogelijk vast te maken, maar hoe leg je nou een stevige knoop? Meneer Keizersplein is inmiddels bij de brancard aangekomen en filosofeert: ‘Wanneer is een knoop een knoop? Hoe haal je een knoop uit de knoop? Kan ik mezelf eigenlijk uit de knoop halen?’ De jongens kijken elkaar aan, daar hebben ze ook niks aan. Inmiddels zijn de vier touwen zo goed en zo kwaad als het gaat aan de brancard bevestigt en de jongens geven het teken dat de brancard opgehaald kan worden. Als Levi 2 meter boven de grond zweeft begeeft de linkerknoop het en zijn hand komt al vervaarlijk over de zijkant te hangen, plots laat ook de rechterknoop los en stuitert Levi met zijn groene gezicht en groene coltrui over het groene grasveld. De jongens staan aan de grond genageld, hoe moeten ze dan een knoop leggen? Plots zien ze Fidde Hoekema in hun ooghoeken, stiekem rokend door het open raam van het economielokaal. Een van de jongens rent naar hem toe en sleurt hem door het open raam, zo het plein en dan het veld op. ‘Knopen, jij!’ Fidde is een beetje traag van begrip en bekijkt de situatie eens op zijn gemak. Hij ziet dat drie jongens een groen, bewegend iets op een brancard proberen te leggen, wat hen niet zo makkelijk afgaat. Dan hoort hij ook ineens lawaai boven zich en als hij naar boven kijkt ziet hij vier touwen boven zich zweven. Dan gaat er bij hem een lichtje op. Hij moet die touwen vastknopen.  Dat kan hij wel! Met zijn geoefende zeemanshand heeft hij binnen een oogwenk de touwen stevig aan de brancard vastgeknoopt. ‘Dit kan wel tien olifanten dragen’, mompelt hij en op zijn dooie gemakje slentert hij weer over het grasveld en over het plein de school binnen. Levi zweeft inmiddels weg tot hij uit het zicht is verdwenen. ‘Hoe zal het hem vergaan’, vragen de jongens zich neerslachtig af.

Darren heeft in het lokaal van mevrouw Snijvoort de armen op Saar heen geslagen, Saar leunt verslagen tegen hem aan al kijkend uit het raam naar het rumoer op straat, dat ze door het open raam kunnen horen. Darren slaat, met zijn kin op Saars schouder, als in een game, de hele situatie gaande. Waar is iedereen gepositioneerd, wie heeft de leiding, wie beweegt zich waar naar toe, wat is hun strategie. Al nadenkend valt hem iets op. Iedereen buiten is bezig met zijn taak, namelijk het bewaken van de school en alles wat daarbij komt kijken, maar één iemand zondert zich al telefonerend af van de groep. ‘Dit is niet goed, hier klopt iets niet’, denkt Darren. De man is buiten gehoorafstand maar Darren heeft met zijn fotografisch geheugen, zijn gezicht al in zijn hersens opgeslagen. Hij ziet de lippen van de man bewegen, maar hij kan niet horen wat de man zegt. Balen!

Buiten zondert de brandweercommandant zich al telefonerend af van de groep, niet bewust van de jongeman die hem nauwlettend in de gaten houdt van achter het raam. Hij probeert zo zacht mogelijk te praten, want wat hij zegt is niet voor het grote publiek bestemd: ‘Plan geslaagd, deze school zal voorlopig geen aanmeldingen meer krijgen…’

Mevrouw Ding is inmiddels tot de conclusie gekomen dat het een genetisch gemanipuleerd virus betreft. Turend door het glaasje van haar microscoop beseft ze dat het overgedragen wordt door speekselcontact… Levi zoent natuurlijk met wie maar wil, realiseert ze zich. Tongzoenen zou dus zomaar de oorzaak voor de verspreiding van dit virus kunnen zijn. Ze moet contactonderzoek doen, iedereen die met Levi in contact is geweest moet in kaart gebracht worden, nu meteen, anders is de schade niet te overzien!.

Do ligt halfdood in de keuken bij haar thuis, ze had het niemand verteld, maar vorige week in een tussenuur zoende Levi haar plotseling. Al liggend op de grond, denkt ze terug aan de heerlijke moment… Ze beseft niet dat haar moeder niet in de buurt is om haar te helpen, langzaam zakt ze weg in een dromerige toestand.

Conciërge De Snor loopt intussen zijn ronde door de school, nadat hij vanmorgen de matjes voor ieder lokaal had gelegd en vanmiddag her en der wat Kop-a-Soep had uitgedeeld, is het nu tijd om alles in gereedheid te brengen voor de nacht. De emmers die hij bij zich heeft dienen als tijdelijke wc. Niemand mag vannacht het lokaal verlaten!

Darren en Saar delen samen een matje. Er waren er niet genoeg voor iedereen en samen hebben ze in korte tijd nu al zoveel meegemaakt… Saar drukt zich nog eens tegen Darren aan en valt, al is het nog geen avond in een onrustige slaap. Darren trekt haar dichter tegen zich aan legt haar hoofd voorzichtig op zijn knieën. Hij pakt zijn telefoon uit zijn broekzak en begint met zijn onderzoek. Het gezicht van de brandweercommandant komt hem zo bekend voor… Hij zoekt op ‘brandweercommandanten in de regio’ en al snel vindt hij wat hij zoekt: de man die buiten rondliep, die zich afzonderde van de rest. Al speurend komt hij op de Fakebook pagina van de man terecht en terwijl hij door alle zin en onzin heen scrolt, valt zijn oog op iets opvallends…. De broer van de man is… de directeur van het Noordzeecollege… klopt zijn onderbuikgevoel dan toch? Is hier echt iets niet pluis?

De Uitbraak (6)

Conciërge De Snor vervolgt zijn ronde door de school. Bij elk lokaal een emmer neerzettend. Hij heeft er zoveel mogelijk verzameld, de mayonaise-emmers uit de keuken, de emmers van de klei bij handenarbeid, geen emmer was veilig. Dit zou hem zo ontzettend schelen met het opruimen van de rotzooi. ‘Als de docenten het ook maar voor elkaar krijgen dat ze op die emmer hun behoefte doen’, denkt hij stuurs.

In het lokaal bij Draagvrouw is het onrustig. Mevrouw Draagvrouw staat met haar belletje in de hand voor het bord en probeert structuur aan te brengen in het rumoer. ‘Oui, ik snap dat het moeilijk is, maar, non, jullie mogen het lokaal toch niet uit mademoiselles et garçons.’ Ze maakt de leerlingen duidelijk dat de matjes langs de wanden moeten komen te liggen, de tafels in het midden van het lokaal en de emmer tussen de kast en het raampje naar de gang. ‘Non, geen protest, de kastdeur biedt jullie intimité, oftewel privacy!’

Bij mevrouw Maaier in het lokaal zitten alle leerlingen in kleermakerszit op de grond, ze heeft de matjes door de leerlingen in een kring laten leggen, zoals bij een zonnewijzer. Zelf zit ze ook in kleermakerszit, kaarsrechtop vooraan als een duidelijke leider. ‘Breath in … breath out … breath in … breath out…’, herhaalt ze als een mantra, ‘close your eyes en ontspan… (diepe zucht)’. De Snor probeert ongezien de emmer het lokaal in te schuiven, maar één leerling kijkt hem met vragende ogen aan, alsof hij wil zeggen: ‘kan ik niet met jou mee, verlos me van dit zweverige gedoe…’ De Snor schudt beheerst zijn hoofd en sluit de deur zachtjes achter zich.

Mevrouw Cirkelga is gewoon doorgegaan met haar les, lijkt het. Nog steeds zitten de leerlingen met hun boeken en schriften voor zich aan hun tafeltje. Ze duldt geen onrust, vragen? Die mogen alleen gesteld wordt als ze over de lesstof gaan. De matjes liggen nog keurig opgestapeld onder het bord. De Snor klopt op de deur en gedecideerd roept ze: ‘Binnen!’ De Snor loopt vlug met de emmer naar de stapel matjes, om maar niet te storen. Hij zet de emmer bovenop de stapel, maar hij had net zo goed lucht kunnen zijn, want mevrouw Cirkelga is alweer verder gegaan met haar les. ‘Het lijdend voorwerp in deze zin is?’ ‘Nee, Wiepje, het is niet een persoon die pijn heeft.’ ‘Welke vraag stel je als je op zoek bent naar het lijdend voorwerp, Huub?’ Snel loopt De Snor het lokaal weer uit, voordat hij een beurt krijgt, medelijdend kijkt hij naar de ijverig schrijvende leerlingen en sluit de deur achter zich.

Ondertussen is Darren via allerlei digitale omwegen in de computer van de broer van de brandweercommandant gekomen: de directeur van het Noordzeecollege.

Zo op het eerste gezicht is er niets verdachts te zien, maar Darren weet dat dat alleen maar de buitenkant kan zijn. Vaak worden de meest verschrikkelijke dingen achter ‘gewone’ bestandsnamen weggezet. Hij scrolt het lijstje met mappen in documenten door: ‘Noordzeecollege’, ‘vmbo’, ‘havo’, ‘privé’, ‘nieuwe leerlingen’. Darrens intuïtie zegt dat hij in de map ‘nieuwe leerlingen’ weleens beet zou kunnen hebben. Hij opent de map en zijn oog valt gelijk op de bestandsnaam ‘plan de campagne’. Saar opent slaperig haar ogen en fluistert: ‘wat doe je?’ Geschrokken kijkt hij op haar neer. ‘Sst, vraag maar niets, ik vertel het je straks wel.’

Als conciërge De Snor bij het lokaal van meneer Marvel aangekomen is, kijkt hij geamuseerd naar binnen. Meneer Marvel heeft zijn larpkleding uit een grote kist getoverd en verkleed als middeleeuws figuur staat hij met grote gebaren frases uit Shakespeare voor te dragen. De leerlingen luisteren aandachtig naar hem. Hier en daar hangt een tong van een leerling haast op zijn tafeltje, de leerlingen zijn zo ontspannen dat hun monden steeds weer openzakken. Shakespeare is waarschijnlijk nog nooit zo interessant gevonden door vmbo-leerlingen, zijn werk komt door meneer Marvel heen tot leven.

Beneden is meneer Zaaier totaal niet met zijn vak bezig. Conciërge De Snor realiseert zich dat de verdwenen verlengsnoeren vast naar het lokaal van meneer Zaaier zijn verhuisd, ‘later toch eens naar vragen’. Hij opent de deur zonder te kloppen, want de aandacht ligt toch totaal ergens anders. In het midden van het lokaal heeft meneer Zaaier een dubbele rij tafels neergezet en –Joost, mag weten hoe- heeft hij deze vol gezet met een dubbele rij computers. De matten om op te slapen zijn gebruikt als aangename zitplekken voor een lange nacht doorhalen middels een lan-party. De enige vraag die meneer Zaaier en zijn leerling lijkt bezig te houden is: hoe kunnen we ervoor zorgen dat we weer elektriciteit en WiFi krijgen, zodat we onze plannen door kunnen zetten. Verlengsnoeren zijn met elkaar verbonden en eigen modems en routers moeten voor een (illegale) verbinding zorgen.

Even verderop heeft meneer Van Historie zijn leerlingen in rijen opgesteld. Hij schreeuwt bevelen naar hen alsof het militairen zijn: ‘Jij… leg de matten links aan de kant van het raam!’ ‘Ja, jij daar… jij de rechterkant.’ De deur opentrekkend voor meneer De Snor, roept hij: ‘… en hier is jullie privaat!’ ‘Behoefte doen… nee! Als het niet anders kan… hierin!’ De leerlingen kijken hem geschrokken aan, maar durven niets te zeggen uit angst voor een of ander onzinnig bevel. Meneer Van Historie smijt de deur weer dicht, nauwelijks oog hebbend voor De Snor die nog wat wc-papier aan wil reiken.

Bij meneer Roemkok in het lokaal naast de keuken is Klaas Koper op het bureau geklommen en staat met zijn glimmende kraaloogjes zijn grootste plannen aan de rest van de klas kenbaar te maken. ‘Meneer Roemkok, we –alsof hij het in hoogst eigen persoon gedaan heeft-  hebben toch net vorige week snacks ingekocht?’ Zonder op antwoord te wachten gaat hij verder. ‘Wij gaan dit verkopen!’ ‘Iedereen snakt naar eten, straks, als hun voorraden op zijn, daar spelen wij op in!’ ‘Snacks voor woekerprijzen! We gaan rijk worden, jongens!’ Triomfantelijk kijkt hij de klas rond, enkele leerlingen zien het al helemaal voor zich en een aantal kijkt toch ook nog wel bedenkelijk. Klaas Koper altijd met zijn snode plannetjes, bravoure wil hij, reuring in de tent. Meneer Roemkok kijkt hem geamuseerd aan. ‘Het kan ook niet anders’, denkt hij, ‘Klaas Koper en snacken, dat kan je niet los van elkaar zien.’ ‘Als hij zich dan met de leerlingen bezig houdt, dan bekommer ik me om de versproducten en voorzie de collega’s van wat culinaire hoogstandjes, daar zullen ze aan toe zijn…’ De emmer die conciërge De Snor komt brengen zet hij straks wel in het washok, geen uitwerpselen in zijn brandschone, glimmende keuken. ‘Vers en proper’ is zijn motto. Klaas Koper is ondertussen de taken al aan het verdelen: ‘Jij maakt posters met prijzen. Jij telt hoeveel we van elke snack hebben. Jij beheert de kas. Jij maakt schoon en ik … ik heb de leiding.’

Conciërge De Snor loopt haastig, doch behoedzaam terug naar de aula voor de volgende lading emmers. Als hij daar aangekomen is, ziet hij tot zijn grote schrik dat mevrouw Ding tussen de emmers aan het rommelen is. ‘Wat doet u daar, mevrouw Ding?’ vraagt hij barser dan de bedoeling was. Van schrik springt ze een heel eind opzij, daarbij de stapel emmers omver stotend. ‘Uh, ik was op zoek naar plekjes om speeksel over te kunnen dragen, bijvoorbeeld waar je ongestoord kunt zoenen, weet u misschien waar je dat het beste kunt doen?’ De Snor staat haar met een verbijsterde blik op zijn gezicht aan te kijken. ‘Wat wil ze?’ ‘Plekjes om te zoenen?’ ‘Hier… in zijn aula?’ ‘Hoe… wat…’, stamelt hij. Mevrouw Ding is alweer doorgelopen, en schrijft steeds meer op haar notitieblok.

Inmiddels is de avond gevallen en de meeste leerlingen en docenten lijken zich bij de situatie neergelegd te hebben en proberen zo goed en zo kwaad als het gaat de slaap te vatten. Zo ook bij mevrouw Snijvoort, wat haar ontgaat is dat Darren en Saar niet zo genegen zijn tot slapen. ‘Wat was dat nou, Darren’, fluistert Saar. ‘Ik denk dat ik weet wie er achter dit hele gedoe zit, Saar.’ Darren kijkt haar gespannen aan. ‘Ik weet nog niet precies hoe het allemaal zit, maar de directeur van het Noordzeecollege heeft er iets mee te maken. Maar dat kunnen we niet zeggen, Saar, ze zullen ons voor gek verklaren hier, ze denken toch al dat ik in een gamewereld leef… ze denken vast dat dit een of ander verzinsel is. Dit moeten we samen doen, Saar!’

 

De Uitbraak (7) 

40 kilometer verderop wordt Levi omringd door in zijn ogen buitenaardse gele wezens met blauwe handen. Voorzichtig slaat hij zijn ogen op en probeert hij om zich heen te kijken om te ontdekken waar hij zich eigenlijk bevindt. Vaag herinnert hij zich iets van school, van een thermometer, van een helikopter, maar hij kan er nog geen touw aan vastknopen. Langzaam zakken zijn oogleden weer dicht, zijn laatste gedachte voordat hij in slaap valt, is: ‘Do…’.

Op school lijkt iedereen in diepe rust, hier en daar knort een maag van de toch wel aanwezige trek, ondanks de voorraden chips en snoep. Die zijn in de loop van de avond echter volledig uitgeput door de leerlingen, zonder zich te realiseren dat de situatie zich leent voor enige zuinigheid. In het lokaal van mevrouw Snijvoort is nog een zacht schijnsel van een telefoon te zien. Darren heeft, zoals een goede computernerd betaamt, genoeg energievoorraad bij zich om een week op te teren, diverse powerbanks maken zijn tas loodzwaar. Darren en Saar hebben hun krachten gebundeld en zijn op zoek naar informatie over de directeur van het Noordzeecollege. Darren probeert via allerlei omwegen bij versleutelde informatie te komen, terwijl Saar gespannen elke nieuwe aanwijzing noteert in haar notitieblok.

In het naastgelegen lokaal droomt Liz onrustig. Vanavond voor het slapengaan was het onrustig geweest in het lokaal, mevrouw Ding was verdwenen en meneer Bonen hield hen nu in de gaten. Leerlingen hadden hem geplaagd en gevraagd of hij snurkte in zijn slaap. Daarop had meneer Bonen een kleur gekregen en wat onverstaanbaars gemompeld, wat natuurlijk koren op hun molen was. Ze waren doorgegaan en hadden geprobeerd hem te verleiden zijn kalme houding te laten varen. ‘Laat u ook scheten in uw slaap?’, hadden ze gevraagd. ‘Nee, nee… dat niet… of ik kan slapen is nog maar de vraag’, had hij geantwoord, denkend aan het feit dat hij zijn zo geliefde beer -al was daar haast niet meer van over dan wat stof, wat vulling en natuurlijk die o zo heerlijke geur- vanmorgen op het nachtkastje had laten staan en vergeten was hem in zijn koffertje te stoppen. Toch was hij in slaap gesukkeld.

Liz droomde over haar vriendin Jane, bij mevrouw Snijvoort in het lokaal. Daar stelden de leerlingen dezelfde vragen. Mevrouw Snijvoort reageerde echter totaal anders dan meneer Bonen en de leerlingen begonnen dan ook te joelen en te zingen, toen ze zich steeds ongemakkelijker begon te voelen. Het huilen stond haar nader dan het lachen. ‘Vreemd’, dacht Liz in haar slaap, ‘zo ken ik haar helemaal niet, hmm, ’t zal wel.’ En ze droomde weer verder over het lied dat de leerlingen mevrouw Snijvoort toezongen: ‘Ik leef niet meer voor jou, je hoeft niet te proberen, om hier te blijven staan, en mij te domineren!’ ‘Ik heb teveel moeten verduren, ik heb genoeg van al je kuren, dus is het tijd je weg te sturen….’ In haar slaap neuriet Liz zacht mee met de melodie van het overbekende liedje van Marco Borsato. Meneer Bonen is er inmiddels door gewekt en probeert haar zachtjes wakker te maken, maar Liz laat zich door niemand zomaar wakker maken. Ze droomt gewoon weer verder: bij mevrouw Snijvoort komt inmiddels het stoom uit haar oren. Ze trekt haar mond open en… ze zingt: ‘Jullie hebben me keihard voorgelogen, besodemieterd en bedrogen, dus draag de lasten maar, ik wijk niet meer voor jullie!’ Stampvoetend tikt ze het ritme van de melodie mee met haar voeten, haar bovenlip trilt van ingehouden woede en ze beent in stevig tempo naar de deur…  BAM… Liz schrikt wakker, ‘wat was dat?’ Meneer Bonen knielt bij haar neer en fluistert: ‘Gelukkig, je bent er weer, je was zo naar aan het dromen. Gaat het?’ Liz stamelt: ‘Het… het gaat wel weer, dank je.’ Beschaamd gaat ze weer liggen. ‘Wat was dat nou weer voor droom’, denkt ze, ‘dit slaat helemaal nergens op. Ik wordt zeker gek als ik niet even lekker met Jane heb kunnen roddelen voor ik in slaap val. Elke avond voor het slapen bellen ze elkaar namelijk even om de laatste roddels van die dag door te spreken, totdat een van de twee tijdens het bellen in slaap viel en de ander de verbinding verbrak zodra er licht gesnurk te horen was.

Weer slaat Levi zijn ogen op. ‘Do…’, fluistert hij weer, ‘Do…’ Een verpleegster hoort zijn gefluister en komt naar hem toe. ‘Hé, je bent er weer. Wil je wat water?’ Ze houdt een rietje bij zijn mond en hij begint gulzig te zuigen. ‘Do…’, zegt hij nu iets harder. ‘Do’ vraagt de zuster, ‘wie is dat?’ ‘Liefste…’, fluistert Levi weer en zijn ogen vallen weer dicht. De verpleegster noteert dat hij wakker is geweest en dat hij een naam heeft gezegd met daarbij het woordje ‘liefste’, verder schenkt ze er niet zoveel aandacht aan. Patiënten die zo ver weg zijn geweest willen wel vaker verwarde, onsamenhangende verhalen vertellen. Ze sluit het gordijn om zijn bed en gaat verder met haar ronde. Levi slapend achterlatend.

Saar en Darren hebben op de computer van de directeur van het  Noordzeecollege een document gevonden over het verspreiden van virusdeeltjes onder mensen en hoe dat het beste aan te pakken. Gespannen spitten ze het document door. Nog steeds hangt het grote ‘waarom’ als het zwaard van Damocles boven hun hoofd. Ze komen te weten dat het een virus is dat zeer besmettelijk is. Ze weten waar hij het gekocht heeft: Alipapa Expres, dat het via speeksel overdraagbaar is. Ze komen via een beveiligingsvideo te weten dat hij een dochter heeft… en dat die dochter stiekem weggelopen is en in de tuin, achter het tuinhuisje met … jawel… Levi… gezoend heeft. Wat ze niet had kunnen bevroeden is dat haar vader dit alles zorgvuldig gepland heeft…

Saar en Darren kijken elkaar met open mond aan. ‘Dit is de link met onze school’, staat in hun ogen te lezen. Saars gezicht wordt bleek, Darren ziet het en trekt haar tegen zich aan en kust haar op het voorhoofd. ‘Stil maar… sst… we gaan dit tot op de bodem uitzoeken.’ Hij legt voorzichtig zijn hand onder haar kin en dwingt haar liefdevol hem aan te kijken. ‘Samen Saar!’ en onwennig laat hij zijn lippen tegen die van haar rusten, vanbinnen raast er plotseling een storm door zijn aderen en zijn hart begint wild te kloppen, als hij zijn ogen opslaat en in die van Saar kijkt, ziet hij dat ook zij niet eerder meegemaakt heeft wat hier gebeurd.

Meneer De Vrede is ondertussen wakker geworden en ontsnapt aan de aandacht van mevrouw Slager, al tijgerend beweegt hij zich naar de uitgang van de gymzaal, zijn benen willen nog niet erg meewerken en slepen als een zware last achter hem aan. Als hij zich door de klapdeuren heeft weten te murwen, rolt hij verzwakt naar de hoek, waar mevrouw Ding zojuist om de hoek komt, haar handen al tastend in het duister voor zich uit. ‘Help…’, zegt meneer De Vrede zachtjes, ‘help alsjeblieft.’ Maar mevrouw Ding is zo gebiologeerd met haar zoektocht naar goede zoenplekken bezig, dat ze niet hoort dat iemand haar roept.

Do heeft het intussen op de keukenvloer Spaans benauwd, haar huid is haast doorschijnend groen geworden. Af en toe valt ze weg. Het enige wat steeds bovenkomt in haar gedachten is: Levi. Haar moeder schijnt ze vergeten te zijn. Ze doet elke keer als ze haar ogen opslaat verwoede pogingen om bij te blijven. Ze probeert zichzelf in het gezicht te slaan, zodat de pijn haar bij haar positieven houdt.